The green king of bling (interview)
10 december 2009 - 807 keer bekeken - Duurzaamheid
Door de kredietcrisis lijkt het einde van het egotijdperk in zicht. Ook van bedrijven. Maar is dat wel zo? Journalist Rik Oerlemans verkent de gevolgen van de kredietcrisis op de milieucrisis voor bedrijven en vraagt hoogleraar milieueconomie Aart de Zeeuw en hoogleraar financieel management Kees Koedijk naar hun opinie.
Al in 1972 sprak de Club van Rome zijn grote zorg uit over het opraken van grondstoffen en de manier waarop de mens omging met het milieu. Die bezorgdheid werd weliswaar liefdevol omhelsd door de hippiecultuur van de jaren zeventig, maar verder gebeurde er niet zo veel mee. Want de grondstoffen waren dan wel schaars, maar nog lang niet op. Eind jaren tachtig raakten de zure regen en de klimaatverandering bekend bij een breed publiek. Opnieuw zonder grote gevolgen. Geen mens voelde zich aangesproken. Water en lucht zijn immers van niemand. Het was echt iets voor de overheid, zo redeneerde men. Pas in het begin van de eenentwintigste eeuw groeide er mondjesmaat een besef dat het misschien wel echt de verkeerde kant op ging met de wereld. De eerste ondernemingen die zichzelf afficheerden als 'duurzaam' – vaak zonder te weten wat die term eigenlijk inhield – deden dat vooral als een vorm van window-dressing. Over de echte pioniers van duurzame bedrijfsvoering, zoals Anita Roddick van The Body Shop, werd aanvankelijk nogal meewarig gedaan. Gaandeweg ontstond er een kentering in het gangbare opportunisme. In 2006 kocht L’Oréal The Body Shop voor 950 miljoen euro. Meer en meer bedrijven raken intussen oprecht betrokken bij duurzaam denken en doen. Om een eenvoudige reden: er is een hoop geld mee te verdienen. Green Business is de nieuwe King of Bling.
Milieu en krediet zijn synoniemen
De kredietcrisis heeft ons vertrouwen in oude zekerheden een forse klap gegeven, vooral omdat veel zekerheden achteraf niet zo zeker bleken te zijn. Het werd tijd voor zelfreflectie. In het denken dat vandaag opgeld doet, zijn we bereid om veel van onze twijfelachtige verworvenheden ter discussie te stellen: onze hebberigheid, die de crisis voor een deel veroorzaakt heeft; ons kortetermijndenken, waarmee we gretig graaiden in de koopjesbak van de wegwerpeconomie; en onze arbeidsmoraal, die tot voor kort voorschreef dat je vooral werkte om er zo snel mogelijk weer mee op te kunnen houden. Het einde van het egotijdperk lijkt in zicht te komen. Dankzij de crisis wordt ons ethisch besef herijkt. De milieucrisis past naadloos in het rijtje morele misvormingen dat de afgelopen decennia het gezicht van de samenleving is gaan ontsieren. In dat opzicht zijn 'milieu' en 'krediet' synoniem: we hebben de aarde immers te leen van onze kinderen, maar we hebben onze hand overspeeld door haar uit te putten. Net zo goed als we onze financiële reserve hebben verbruikt door maar te blijven lenen. De milieucrisis en de kredietcrisis hebben dus alles met elkaar te maken. In feite is de ene crisis de opmaat geweest voor de andere.
In moreel opzicht is de crisis goed voor het milieu. Maar in financieel opzicht? Economen zijn pragmatisten, geen altruïsten. Ze handelen per saldo in hun eigen belang. Dat eigenbelang zet ze nu aan om groen te denken. Het meest kostbare vermogensbestanddeel van ondernemers zijn immers hun klanten. Wanneer die klanten in gevaar komen, komt ook de onderneming in gevaar. De pragmatische ondernemer denkt dus – met zijn verse milieubewustzijn in het achterhoofd: als er geen wereld meer is, aan wie moet ik dan mijn spullen verkopen? Dat is ironisch genoeg de belangrijkste reden waarom bedrijven groener worden: om hun markt in stand te houden. Een tweede reden voor de commerciële vergroening is het gegeven dat investeren in apparatuur en processen die het milieu minder belasten vaak niet alleen voor ecologische, maar ook voor financiële besparingen zorgt. Soms levert een investering niet direct meetbare besparingen op, maar zelfs dan is milieudenken goed voor de onderneming: de consument is namelijk steeds vaker bereid om iets meer te betalen voor bedrijven en producten met een aantoonbaar groen gezicht. En groen geld is goed geld.
De crisis is dus goed voor het milieu; moreel en financieel. We zijn wakker. Maar helpt de crisis daardoor ook bij het creëren van een groen investeringsklimaat voor de overheid? Ja en nee, zegt hoogleraar milieueconomie Aart de Zeeuw. 'Op het gebied van overheidsinvesteringen is al jaren een strijd gaande tussen groen en grijs, waarbij je grijs moet zien als de asfaltlobby. En als het in tijden van welvaart en rust al niet lukt om groen te laten domineren, dan zou ik me daar in tijden van crisis zeker geen illusies over maken. Aan de andere kant: hoe langer de crisis duurt, hoe beter het is voor het milieu. Kijk maar naar Schiphol: sinds de crisis worden de geluidsnormen niet meer overschreden omdat er een stuk minder gevlogen wordt. Maar: omdat er minder gevlogen wordt, schaft de overheid de vliegtaks af. Dat betekent dat ze hun milieudoelstellingen loslaten als gevolg van de crisis. Ik zou dat nooit doen. Duurzaamheidsdenken duurt langer dan de crisis: Bovendien: probeer maar eens om die vliegtaks weer in te voeren tegen de tijd dat de crisis voorbij is.'
Het recht om vies te zijn
Lucht en water zijn gemeenschappelijk bezit. Van iedereen en dus van niemand. Dat is doorgaans geen goed teken voor hoe ermee omgesprongen wordt. Kijk maar hoe snel een openbaar veldje kan verloederen. Zo verging het lucht en water ook. Tot voor kort, want om de co2-uitstoot terug te dringen, deelt Europa tegenwoordig emissierechten uit aan grote bedrijven in de lidstaten. Een emissierecht is een vervuilingrecht: een vergunning om tot een bepaalde periode een bepaalde hoeveelheid troep in de lucht te blazen. De bedoeling is natuurlijk dat bedrijven tijdens die periode hun uitstoot verminderen. Emissierechten worden in ieder afzonderlijk land weer toegewezen aan de vervuilende bedrijven daar. De vervuiler krijgt respijt. Hierdoor ontstaat er handel in vieze lucht; tussen landen onderling, want een land als Zweden met veel waterenergie belast het milieu minder dan een Oost-Europese bruinkoolnatie en kan zijn emissierechten best verkopen. De handel vindt intussen ook plaats tussen bedrijven. Want: een bedrijf met genoeg geld kan zijn productie gemakkelijk aanpassen aan de lagere emissie-eisen. Zo'n bedrijf kan dus zijn emissierechten (met winst) verkopen aan een financieel minder draagkrachtig bedrijf, dat het zich niet kan permitteren om zijn roetwolken te lijf te gaan. Zo wordt er dus volgens een oeroud economisch principe op een kosteneffectieve manier gewerkt aan een schonere lucht. En het werkt! Op de beurs in Chicago is intussen een levendige handel in emissierechten verrezen. De prijzen stijgen. Waarom kunnen particulieren niet ook een verhandelbaar recht om vies te zijn krijgen? Als mensen hun auto wegdoen, kunnen ze een deel van hun rechten verkopen aan iemand die wil blijven doorrijden. In theorie is dat mogelijk, volgens Aart de Zeeuw. 'Je hebt dan wel landen nodig met een goed werkend belastingsysteem. Anders kun je die handel nooit goed administreren. En dat zou er in landen met een gebrekkig belastingsysteem, zoals Italië en België, toe leiden dat er op grote schaal de hand mee gelicht wordt. Maar verleidelijk is het wel, want auto's nemen de helft van alle co2-vervuiling voor hun rekening.'
De invloed van de wetenschap
Als we hopen op een duurzaam investeringsklimaat dan hebben we daar ook de invloed van de wetenschap voor nodig. Lans Bovenberg bepleit de kringloopeconomie en vraagt om grote investeringen van het bedrijfsleven in innovatie en duurzaamheid. De vraag is of het bedrijfsleven daartoe bereid is. De Zeeuw nuanceert die vraag: 'De vraag is niet of er een klimaatcrisis is, de vraag is waar je winstkansen liggen.' Met andere woorden: wanneer we erin slagen om een kringloopeconomie op te zetten die winstgevend is, dan zal er ruimschoots in geïnvesteerd worden. En anders niet.
Ook Kees Koedijk, hoogleraar financieel management, ziet kansen voor duurzame innovatie in tijden van crisis: 'Bedrijven zijn nu nog bezig met overleven, maar de aandacht voor duurzaamheid breekt door. De grote jongens nemen het voortouw: Nike, Toyota en Philips zijn echt druk bezig met groene investeringen. Je kunt daarbij het begrip 'groen' als een breed label definiëren. Aan een Nike-schoen komen bijvoorbeeld geen kinderhandjes te pas. De producent heeft hiermee een belangrijk verkoopargument in handen. Maar ook bij andere producten kan een vorm van labeling een rol spelen. Wanneer de verkoper kan garanderen dat het product dat hij aanbiedt op alle fronten – en dus ook voor de koper – duurzaam is, heeft hij een punt waar niemand omheen kan.'
Laten we hopen dat het woord 'duurzaam' een lang leven beschoren is. De Green King of Bling kan onze toekomst herdefiniëren.
Dit interview verscheen eerder, in het Engels, in de Tilburg Research ‘Countering Climate Change, nummer 3, 2009
Om een reactie te kunnen plaatsen moet je ingelogd zijn.
-

prof. dr. A.J. de Zeeuw
Hoogleraar Milieueconomie -

prof. dr. C.G. Koedijk
Hoogleraar





ShareThis
